Fragment van de muurschildering van Lydia Schouten in het Zeeuws Archief
Zijn schuytjen was van kleene stukjes hout gemaakt en met eenigh gewas aan malkanderen gehouden, zijnde van binnen met twee (h)outjes voorsien. 't Was soo ligt dat een man het gemakkelijk kon dragen; 't was voor ons wonderlijk te sien, dat een man alleen met soo een nietigh vaartuygh sigh soo ver in zee dorst begeven, hebbende niets ander tot zijn behulp dan een schepper, want, toen hy by ons kwam, waren wy circa dry mylen van de wal.
Hadden smiddags het midden van het eyland Z.W. ten Zuyen twee mylen van ons. De wind variabel met regen; zijnde daardoor genootsaakt om van de wal te wenden, moesten wy ons gezelschap afschepen, daar hy weynigh sin toe hadt. Dede hem, om van hem ontslagen te komen, in zijn vaartuygjen brengen, dogh hij bleef soo lange by onse schepen, tot dat hy merkte dat wy van land voeren, waarop hy sigh na de wal toe begaf. 't Water vrij(al) hol, soo was mijn vrese of hij wel overkomen zou.
Naarmiddags stilletjens met regen. Tegen den avont een moy coeltjen. Wenden ten 8 uuren oostwaarts; snagts stijve coelte."
Bron: de integrale tekst van het scheepsjournaal van Cornelis Bouwman is gepubliceerd in: F.E. Baron Mulert (ed.), 'Scheepsjournaal, gehouden op het schip Tienhoven tijdens de ontdekkingsreis van Mr. Jacob Roggeveen, 1721-1722', in:
Archief. Vroegere en latere mededeelingen voornamelijk in betrekking tot Zeeland uitgegeven door het Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen, 1911, 52-183 [met aanvullingen en verbeteringen in Archief ..., 1912, 159-160]
Het origineel van dit afschrift van het scheepsjournaal van Cornelis Bouwman bevindt zich in het Gemeentearchief Rotterdam, archief familie Hudig, inv.nr 533.