Gedicht

Betje Wolff

De beroemde Vlissingse schrijfster Betje Wolff (1738-1804) wijdt een gedicht aan het ringrijden. Het is getiteld 'Walcheren.' Ze beschrijft daarin de pinksterwedstrijd te West-Souburg:
Meer over Betje Wolff (van literatuurinzeeland.nl) of via de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren

Walcheren

Wat een feest verwekt die vreugd! Wat brengt dit volk bijeen?
Kom zie de plechtigheid: hier wordt de ring gereên;
Hier zult ge wondren zien van handigheid en vlugheid.
Maar zie die zilvren prijzen eens!
Ja, dat is voor u iets ongemeens
De forse boerenknaap vergeet zijn dof- en stugheid.

Dit ’s Wester-Souburg, zo beplant, zo net bewoond,
Als ’t net Noord-Holland ooit een zindelijk dorp vertoont;
Kom, zien we dat vermaak eens uit de koele lommer.
Men schoort het perk van wederzij
Voorzichtig af, opdat men vrijdag Nieuwsgierigheid voldoe, ’t al opmerk buiten kommer

Hoe klinkt het Rechthuis door geschraap op veêl en bas.
Geen Waterlandertje zo puntelijk ooit was
Dan Souburgs meisjes zijn, om ’t renperk te vereren
Wat vracht van goud aan hoofd en hand!
Ja, dit is d’opschik van het land:
En zijn die vrijers niet parmantig in de kleren?
Portret van Betje Wolff van circa 1754
Portret van Betje Wolff van circa 1754. Samen met Aagje Deken schrijft ze (bijvoorbeeld) Sarah Burgerhart in 1782.
Fragment uit 'Pinksterkermis', blokboekje met houtsneden van Jan Heyse (Middelburg: Van Benthem en Jutting, 1921) (Zeeuwse Bibliotheek)
Fragment uit 'Pinksterkermis', blokboekje met houtsneden van Jan Heyse (Middelburg: Van Benthem en Jutting, 1921) (Zeeuwse Bibliotheek)
 
’t Nieuwsgierig steevolk komt van alle kanten aan,
Elk zoekt een plaats, waar hij wel ’t beste denkt te staan.
Men praat, men lacht, men duwt, men dringt en wordt gedrongen.
Men knikt, men groet, men wordt gegroet,
Men wenkt waar dat men wezen moet.
Hier kijft, daar kalt men, en daar ginder wordt gezonden.

Staat ruim! Daar komt de stoet der fiere ridders aan.
Ze rijden deftig voort en zwenken naar de baan,
Die leidt zijn paard en deez' is rustig opgezeten.
Daar onze Jan zijn dekkleed schikt,
Wordt hij van Geertje toegeknikt,
Dat is: nou Jan, toon nou dat jij ’t niet hebt vergeten.







... stoet der fiere ridders ...
... stoet der fiere ridders ...
 
Die wipt op ’t moedig bruin; hij zit vrij vast, dat ’s gang!
Hij heft de lans, hij mikt. Wat ziet zijn vrijster bang
Of ’t Krijn mislukte. Hoezee! Die prijs is al gewonnen.
Nu lacht zijn lieve Zoetje eerst wit,
Daar zij in ’t herbergvenster zit;
En heeft ze geen gelijk? Wel, ’t is om d’eer begonnen

Hoor dat geschater, dat gelach, dat handgeklap.
Daar komt een ander held! Hij zet zich vast en schrap,
Hij strijkt zijn haar terzij en trekt zijn hoed naar voren.
Zie hoe dat dartel rosje springt,
Hoe ’t hapt en briest en kromt en wringt.
Nu Teunis, doe je best, nooit heb je ’t spel verloren.

Hoe zwaait dat zijden lint (zo bont van verf als ’t kan)
De knapen om het lijf. Ja Pieter dat’s een man.
Die knopen die hij in zijn hemd zo weids doet pralen,
En die aan ’t hemdrok zijn gezet,
Die won hij lestleên Pinkstren, ‘k Wed
Hij zal wel weer een prijs – hij rijdt heel netjes- halen.

 

... zijn lieve Zoetje ...
... zijn lieve Zoetje ...
Fragment uit 'Pinksterkermis', blokboekje met houtsneden van Jan Heyse (Middelburg: Van Benthem en Jutting, 1921) (Zeeuwse Bibliotheek)
Fragment uit 'Pinksterkermis', blokboekje met houtsneden van Jan Heyse (Middelburg: Van Benthem en Jutting, 1921) (Zeeuwse Bibliotheek)
 
Hoe straalt de vrolijkheid die borst ten ogen uit!
Hij is de bruigom en mooi Leentje is de bruid.
Hij geeft een knipje weg, maar ’t geeft hem vuur en leven.
Hij gloeit van liefde, moed en wijn,
En denkt: hoe welkom hij zal zijn,
Kan hij die beugeltas zijn mooie bruidje geven.

Daar komt Klaas Louwen met zijn oude bles ook aan:
Ei, zie die Joris eens. Wat! Zal die op de baan?
Mijn beste man, ga naar je vrijster, laat je raden.
Daar is voor u te weinig kans,
Neen toch! De loeris grijpt een lans,
En sjokt het renperk in, maar keert met schand beladen.









Raak gestoken!
Raak gestoken!
 
Daar komt de Heer zijn kok; hij klimt op ’t handvol ros;
Daar stuift hij ’t renperk in. Wat zit hij scheef en los!
Hij kan veel beter ’t spit dan zulk een paard regeren.
Dat ’s mis, zie hoe ’t geboerte lacht,
Daar tuimelt hij. ‘k Heb ’t wel gewacht.
Nu, wees tevree: men zal die lepel u vereren.

Om niet, o norsaart, smaalt g’opdeez’onnozle vreugd.
Uw lastig heeklen spruit uit geemlijkheid geen deugd.
’t Verstand verbeidt ons niet in zulk vermaak te delen.
Die nooit de boog der zorg ontspant,
Die kreukt gezondheid en verstand.
Speel, wandel, kaats, ’t is even onschuldig, ’t kan niet schelen.
Wat zit hij scheef...
En nog eens?


Creative Commons Licentie