Slavenarbeid

Slaven worden uit Afrika vervoerd naar Amerika om te werken. Velen worden na aankomst in Amerika (West-Indië) verkocht aan eigenaren van plantages.

Plantages

De Nederlanders stichten in het begin van de 17e eeuw handelsposten in het noorden van Zuid-Amerika. Uiteindelijk worden deze gebieden gekoloniseerd, zoals een deel van Brazilië, Guyana (met Berbice, Demerary en Essequebo), Suriname en de Antillen. Er worden plantages gesticht, onder meer door Zeeuwen, in bijvoorbeeld Suriname, Guyana en het Caraïbisch gebied. In de meeste gebieden worden deze plantages opgericht voor de verbouw van:
  • suiker
  • koffie
  • cacao
  • tabak
Op de Antillen vindt zoutwinning en landbouw plaats.
Kaart van de kolonie Suriname met plantages langs de Surinamerivier en de namen van de plantagehouders, 18e eeuw (Zeeuws Archief, KZGW Zelandia Illustrata I-827)
Kaart van de kolonie Suriname met plantages langs de Surinamerivier en de namen van de plantagehouders, 18e eeuw (Zeeuws Archief, KZGW Zelandia Illustrata I-827)
Aanvankelijk probeert men de plantages te laten bewerken door de oorspronkelijke bewoners van dit gebied, de Indianen. Al snel blijkt echter dat zij fysiek niet geschikt zijn voor dit zware werk. Ook zijn ze niet bestand tegen de ziekten die de Europeanen meebrengen. Dit leidt tot een tekort aan arbeidskracht op de plantages. De WIC en andere particulieren die zich bezighouden met slavenhandel zorgen voor de aanvoer van werkkrachten uit Afrika. Deze moeten als slaven op de plantages werken. Later volgt ook de MCC om in de behoefte aan slaven te voldoen.

Soorten slaven

De slaven moeten werken op de plantages. Er zijn verschillende soorten slaven:
  • huisslaven: werken in het huis van de meester
  • veldslaven: werken op de plantage
  • fabrieksslaven: werken bijvoorbeeld in de suikerfabrieken
  • foetoeboys: slaven die altijd in de buurt van (de voeten van) de meester moeten blijven.

Lijfstraffen

De slaven moeten hard werken, krijgen vaak eenzijdig voedsel en worden streng gestraft als ze iets misdoen. Die straffen zijn meestal lijfstraffen en worden vaak in het bijzijn van de andere slaven gegeven om een voorbeeld te stellen. Een straf bestaat meestal uit een ernstige mishandeling en levert vaak een blijvende verminking op. Regelmatig sterven ook slaven tengevolge van deze mishandeling.
Gestrafte slaaf

Weggelopen slaven

Vele slaven proberen aan hun gedwongen levensomstandigheden te ontkomen door weg te lopen. Ze vluchten naar het bos. De weggelopen slaven, die in Suriname Marrons of Boscreolen worden genoemd, bezitten helemaal niets. Ze zijn voor hun onderhoud afhankelijk van plunderingen van plantages en huizen van blanke eigenaren. De plantagehouders staan vrijwel machteloos tegen de ontsnappingen en de plunderingen. Wel proberen ze weggelopen slaven te vangen. Opnieuw gevangen slaven worden zeer zwaar gestraft. Hieronder een bewijs van eigendom uit het jaar 1820 van vier slaven die naar de rechtmatige eigenaar worden teruggebracht.
Gestrafte slavin
Slaven ondergaan de meest vreselijke lijfstraffen...
Eigendomsbewijs van vier teruggebrachte slaven, 1820 (Zeeuws Archief, collectie De Bruijne, inv.nr. 6)
Eigendomsbewijs van vier teruggebrachte slaven, 1820 (Zeeuws Archief, collectie De Bruijne, inv.nr. 6)


Creative Commons Licentie