Moren in Middelburg

Aankomst

Gezicht op het 'Oostpunt', de haven van Middelburg, 17e eeuw. (Zeeuws Archief, KZGW Zelandia Illustrata II-272)
Gezicht op het 'Oostpunt', de haven van Middelburg, 17e eeuw. (Zeeuws Archief, KZGW Zelandia Illustrata II-272)
In 1596 vaart een op de Portugezen buitgemaakt schip met moren (= oude benaming voor Afrikanen) de Middelburgse haven in. Het zijn slaven en ze komen uit Guinee aan de Westkust van Afrika.

De Rotterdamse kapitein wil de slaven verkopen, maar het Middelburgse stadsbestuur steekt daar een stokje voor. In de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden is slavernij verboden en bovendien gaat het om gedoopte Christenen. Men vindt in die tijd dat Christenen niet als slaven gehouden mogen worden.

Protest tegen de verkoop

Burgemeester Adriaen Heindricxsen ten Haefft protesteert tegen de voorgenomen verkoopplannen bij de Staten van Zeeland. Zijn protest wordt op 15 november 1596 tijdens de Statenvergadering behandeld. In de Statennotulen is de strekking van Ten Haeffts protest weergegeven:
“…dat hier waeren ingebracht mette Schepen uyt Guynéa, hier in gecommen veele Mooren, wel by de hondert, zoo Mans als Vrouwen ende Kinderen, wesende alle gedoopte Christenen, ende dat die daeromme nyet en behooren by yemanden gehouden oft vercocht te worden als Slaeven, maar gestelt in heure vrye liberteyt, zonder dat yemandt van derselver eygendom behoort te pretenderen.”

Meer over...

De notulen van de Staten van Zeeland
(in onze collecties)

Vrijlating?

De Staten van Zeeland laten de zondag daarop in alle kerken afkondigen dat de Afrikanen de volgende dag in vrijheid worden gesteld. Vervolgens zouden ze de mogelijkheid krijgen een ambacht te kiezen of ergens in dienst te gaan om zo in hun onderhoud te kunnen voorzien. Daartoe zou op diezelfde maandag een kijkdag worden georganiseerd waarbij de bevolking een keuze kon maken uit de vrijgelaten slaven.
Het was dan wel de bedoeling dat ze de Afrikanen die ze in dienst namen zouden:
“op bringen in Godts Vreese, ende alle deuchden, als goede Christenen toestaet, ende doen oefenen in eenigen styl, hantwerck, ambacht ofte anders, daer toe zy bequaem zullen bevonden worden, ofte genegen zyn.”

In beroep

De eigenaar van het buitgemaakte schip, Pieter van der Haegen, gaat tegen dit besluit in beroep bij de Staten Generaal. Hij vraagt toestemming de Afrikanen naar Portugal te vervoeren. Het verzoek wordt afgewezen maar op een tweede verzoek besluiten de Staten dat de reder met de Afrikanen kan doen “soe hy ’t verstaet”.
Het is niet bekend wat er verder met de Afrikanen is gebeurd. Het is mogelijk dat zij alsnog weggevoerd zijn en misschien zijn er ook een paar achtergebleven in Middelburg die na de kijkdag meteen werk hadden gevonden.
''t Hof van Zeelandt Ao 1644'. Gezicht op het Abdijplein te Middelburg, 1644. (Zeeuws Archief, KZGW Zelandia Illustrata II-496)


Creative Commons Licentie