Verschillende streekdrachten

In de Zeeuwse streekdrachten kunnen op meerdere manieren verschillen worden beschreven. Zowel per regio (en soms zelfs plaats) en tijdsperiode als ook per inkomens- en beroepsgroep zijn kenmerkende elementen te onderscheiden.

Het kostuum rond 1800

Aan het eind van de 18e eeuw dragen mannen en vrouwen op het Zeeuwse platteland een zelfde soort kostuum. Dit kostuum is verwant aan de informele kleding van de stedelijke burgerij. Vrouwen gaan gekleed in een jak, beuk (borst- en ruglap) en doek en dragen meerdere rokken over elkaar. Over de bovenste rok gaat een schort. Wie extra mooi gekleed wil gaan, verruilt jak en doek voor een stiklief (keurslijf).
Onderdelen van een feestelijk stikliefkostuum, circa 1800. Beeldcompositie Katie Heyning (Zeeuws Museum en Zeeuws Museum-collectie KZGW)
Onderdelen van een feestelijk stikliefkostuum, circa 1800. Beeldcompositie Katie Heyning (Zeeuws Museum en Zeeuws Museum-collectie KZGW)
Op het hoofd dragen vrouwen altijd een witte onder- en bovenmuts. De bovenmuts is een hul: een eenvoudige muts die nauw om het hoofd aansluit. Buiten dragen vrouwen op hun muts een grote strohoed.
Mannen gaan gekleed in een kniebroek en een hemdrok, soms met een vest daaroverheen. Om de hals knopen zij een halsdoek. Buiten dragen ze een jas en op het hoofd een hoed.

Ontwikkeling verschillende drachten

In het begin van de 19e eeuw ontstaan regionale verschillen in de kleding van de Zeeuwse plattelandsbevolking. Dat wordt allereerst zichtbaar in de vrouwenmutsen. Vervolgens worden ook wijzigingen aangebracht in de bovenkleding. Rond 1850 is in elke Zeeuwse regio een eigen kostuum tot ontwikkeling gekomen. De kleding van de boeren heeft zich losgeweekt van de stadse kleding en een eigen stijl gekregen. Soms ontstaan er ook nog afwijkingen per dorp of gaan beroepsgroepen zich onderscheiden.
Links: onderdelen van een feestelijk stikliefkostuum, circa 1800.

Aan de linkerkant van boven naar beneden: platte strohoed met voering van dezelfde stof als de beuk, witte gebreide armwanten, daarnaast losse mouwen met zilveren knopen en onderaan zwarte platte schoenen met ronde zilveren gespen.

In het midden van boven naar beneden: beuk, kanten trekmuts, geborduurd hemd en geruite of taarling schort.

Aan de rechterkant van boven naar beneden: stiklief, gestreepte bovenkeus en witte kousen.

(Zeeuws Museum en Zeeuws Museum-collectie KZGW)




Tekening van man met kind (ZA/HTAM)
Tekening van man met kind, circa 1800 (ZA/HTAM)

Factoren

Voor de ontwikkeling van de Zeeuwse streekdrachten zijn vier factoren van belang.
  • De rijkdom en het welvaartspeil van de plattelandsbevolking bepalen hoeveel geld er aan kleding kan worden uitgegeven. Kunnen mensen bijvoorbeeld dure stoffen kopen of moeten ze zich tevreden stellen met minder mooie?
  • De handel en nijverheid in de provincie bepalen welke stoffen, sieraden en accessoires er beschikbaar zijn.
  • De sociale structuur van de dorpsgemeenschap bepaalt vervolgens of en op welke wijze de mode wordt gemaakt. Vaak is het de elite die de toon zet. Sluit de elite zich af van invloeden van buiten, dan krijgen ontwikkelingen in de streekdrachten een introvert karakter. Een elite die zich openstelt voor de buitenwereld neemt gemakkelijk elementen uit de burgermode over. De streekdrachten zullen zich in deze gebieden anders ontwikkelen.
  • Tenslotte zijn de esthetische codes in combinatie met de sociale controle in de dorpsgemeenschap van belang. Wat is mooi, wat is lelijk en hoe worden mensen beoordeeld die zich niet aan die codes houden?

 

Sieraden behorend bij protestantse dracht Zuid-Beveland (Beeldbank Zeeland)
Sieraden behorend bij de protestantse dracht van Zuid-Beveland. Bloedkoralen snoer met gouden slot, kroonspelden en speld (Beeldbank Zeeland; foto: W. Helm, 1979)
Kaart van Zeeland omstreeks 1850 met de gebieden waarin de verschillende streekdrachten worden gedragen. Rechts van het kaartje staat de toelichting bij de cijfers (uit: J. Dekker, 2005).
Kaart van Zeeland omstreeks 1850 met de gebieden waarin de verschillende streekdrachten worden gedragen. Rechts van het kaartje staat de toelichting bij de cijfers (uit: J. Dekker, 2005).
Legenda bij kaartje Zeeland, circa 1850

Noordelijke eilanden

De bevolking op Schouwen-Duiveland, Tholen, Sint-Philipsland en Noord-Beveland draagt een overeenkomstige dracht, met als meest opvallende kenmerk de witte sluiermuts van de vrouwen.
Portret van Karel Kramer uit Noord-Beveland. Hij draagt een grote vilten hoed, een gebloemde halsdoek onder zijn keelknopen en ook een oorring. Schilderij door C. Zwigtman, 1808 (Zeeuws Museum-collectie KZGW)
Portret van Karel Kramer uit Noord-Beveland. Hij draagt een grote vilten hoed, een gebloemde halsdoek onder zijn keelknopen en ook een oorring. Schilderij door C. Zwigtman, 1808 (Zeeuws Museum-collectie KZGW)
Vóór het midden van de 19e eeuw gaan de vrouwen op de noordelijke eilanden de dan modieuze japon dragen. Tussen de eilanden bestaan wel kleinere verschillen.

In het tweede kwart van de 19e eeuw ontstaat er op deze eilanden bovendien een onderscheid in de kleding van de boerenvrouwen en burgervrouwen. Op Schouwen-Duiveland en Tholen is de boerendracht weelderiger dan de burgerdracht. Op Noord-Beveland is dat precies andersom.

In de mannenkostuums komen al voor het midden van de 19e eeuw elementen uit de burgermode terecht, zoals het overhemd.

 

Vrouw in Duivelandse dracht, circa 1900 (Beeldbank Zeeland)
Vrouw in Duivelandse dracht, Ouwerkerk circa 1900 (ZB/Beeldbank Zeeland; foto: J. Schotel)
Links: meisje uit Bruinisse (Duiveland), afkomstig uit de gegoede boerenstand, met modieuze japon en lange sluiermuts. Voorstudie in aquarel door V. Bing en J. Braet von Ueberfeldt. Rechts: schilderij van J.C. Frederiks met Walcherse meisjes. Deze meisjes hebben de voorhoofdsnaald links ingestoken. Duidelijk te zien zijn de beugeltas met schaar en naaldenkoker. (Beide werken: Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem)
Links: meisje uit Bruinisse (Duiveland), afkomstig uit de gegoede boerenstand, met modieuze japon en lange sluiermuts. Voorstudie in aquarel door V. Bing en J. Braet von Ueberfeldt. Rechts: schilderij van J.C. Frederiks met Walcherse meisjes. Deze meisjes hebben de voorhoofdsnaald links ingestoken. Duidelijk te zien zijn de beugeltas met schaar en naaldenkoker. (Beide werken: Nederlands Openluchtmuseum, Arnhem)

 

Walcheren

Vrouw en meisje in Walcherse dracht op een marktdag, Middelburg, omstreeks 1910 (ZA/HTAM)
Vrouw en meisje in Walcherse dracht op een marktdag, Middelburg, omstreeks 1910 (ZA/HTAM)

Kenmerkend voor de Walcherse vrouwendracht is de kleine hulmuts die als bovenmuts gangbaar blijft. Ook de traditionele combinatie van jak, beuk, rokken en schort voor de vrouwen blijft al die tijd behouden. De doek verdwijnt hier in de loop van de tijd steeds verder in het jak.

De mannen houden zich bij de combinatie van een klepbroek, boezeroen (soort kiel maar minder wijd, wordt hier in plaats van de hemdrok gedragen), vest en rok (mannenjas).
Op het hoofd gaat een zwarte hoed, waarvan in de loop van de tijd verschillende modellen in de mode zijn.

 

Mannen in Walcherse dracht op prentbriefkaart van circa 1950
Mannen in Walcherse dracht op een prentbriefkaart van circa 1950

Middelburgs Ambacht

In het gebied rond Middelburg dragen vrouwen een afwijkende muts. Jonge vrouwen stappen hier niet over op de hulmuts, maar blijven de lange meisjesmuts dragen.

Nieuw- en Sint-Joosland

De inwoners van Nieuw- en Sint-Joosland dragen een eigen kostuum, dat beïnvloed is door de Walcherse en Zuid-Bevelandse drachten.
Vanaf het begin van de 19e eeuw blijven bijna alle vrouwen de kindermuts dragen, die een eigen 'Nieuwlandse' vorm heeft.
Het mannenkostuum van Nieuw- en Sint-Joosland lijkt veel op dat van de protestantse mannen op Zuid-Beveland.
Vrouw in dracht van Middelburgs ambacht (De Bree/Van Ham, 1980)
Vrouw in dracht van Middelburgs ambacht (De Bree/Van Ham, 1975)
Nieuwlandse dracht, circa 1900 (links) en 1925 (rechts) (De Bree/Van Ham, 1975)
Nieuwlandse dracht, circa 1900 (links) en 1925 (rechts) (De Bree/Van Ham, 1975)

Arnemuiden

In Arnemuiden komen naast de gangbare Walcherse boerendracht twee andere vrouwendrachten voor. De vissersvrouwen krijgen er na het midden van de 19e eeuw een eigen dracht, die in feite een verouderde Walcherse boerendracht is. Daarnaast ontstaat er in Arnemuiden aan het eind van de 19e eeuw een burgerdracht voor vrouwen, die is afgeleid van de vrouwendracht van Nieuw- en Sint-Joosland.
Vrouw uit Nieuw- en Sint-Joosland, circa 1910 (ZA/HTAM)
Vrouw uit Nieuw- en Sint-Joosland. Uitsnede van een foto uit circa 1910 (ZA/HTAM)
Meisjes uit Arnemuiden, 1894. Het meisje links draagt het kostuum van de Arnemuidse vissersdracht. Het meisje rechts draagt de modernere Arnemuidse burgerdracht. Ingekleurde foto (Zeeuws Museum-collectie KZGW)
Meisjes uit Arnemuiden, 1894. Het meisje links draagt het kostuum van de Arnemuidse vissersdracht. Het meisje rechts draagt de modernere Arnemuidse burgerdracht. Ingekleurde foto (Zeeuws Museum-collectie KZGW)

Zuid-Beveland

Aanvankelijk draagt de hele bevolking van Zuid-Beveland hetzelfde soort kostuum. De vrouwen dragen meerdere rokken en een schort daarover heen en op het bovenlijf een beuk en een grote, geplooide doek. De mannen dragen een boezeroen, ondervest (vest) en korte jas, alsmede een klepbroek.

 


Vrouw in hedendaagse Arnemuidse dracht, circa 1992 (Zeeland in Beeld)
Vrouw (mw. Van Belzen) in hedendaagse Arnemuidse dracht, op het perron van station Arnemuiden, circa 1992 (ZA/KZGW/ZI)
Het (katholieke) gezin Franse uit Ovezande (Zuid-Beveland), 1895 (ZB/Beeldbank Zeeland)
Het (katholieke) gezin Franse uit Ovezande (Zuid-Beveland), 1895 (ZB/Beeldbank Zeeland)
Rond 1875 ontstaat hier in de kleding een onderscheid naar kerkelijke gezindte. Een protestantse en een katholieke dracht ontwikkelen zich. Zeer typerend voor het verschil tussen beide drachten zijn de vrouwenmutsen. Door een andere manier van in elkaar naaien en plooien krijgt de muts in beide drachten een ander uiterlijk. Protestantse vrouwen dragen een ronde wijduitstaande muts (zie de afbeelding hieronder). Katholieke vrouwen dragen een muts met een hoekig, trapeziumachtig model.
Tienguldenbiljet uit 1924, met daarop een vrouw in protestantse Zuid-Bevelandse dracht (Zeeuws Museum-collectie KZGW)
Tienguldenbiljet uit 1924, met daarop een vrouw in protestantse Zuid-Bevelandse dracht (Zeeuws Museum-collectie KZGW)
De verschillen zijn verder onder meer zichtbaar aan de mannenhoeden, de kleuren van de kleding en de sieraden. In tegenstelling tot Walcheren krijgt de doek bij de vrouwen steeds meer nadruk. De Zuid-Bevelandse mannen dragen een combinatie van boezeroen, vest en korte jas met een klepbroek.

Land van Cadzand

Vrouwen in Cadzandse dracht, 1954 (ZB/Beeldbank Zeeland; foto: A.P. Maas)
Vrouwen in Cadzandse dracht, 1954 (ZB/Beeldbank Zeeland; foto: A.P. Maas)
In het westen van Zeeuws-Vlaanderen ontstaat een streekdracht die aanzienlijk afwijkt van hetgeen elders in Zeeland wordt gedragen. De witte kornetmuts van de vrouwen is kenmerkend voor de Cadzandse dracht. Deze muts heeft een bol en pas uit één stuk en een strook langs het gezicht en aan de achterkant.
Kenmerkend voor de Cadzandse vrouwendracht is ook de combinatie van een rok en een mantel met aan de onderzijde een lange schoot. Deze combinatie is afgeleid van de burgermode. Mannen gaan al voor het midden van de 19e eeuw over op een burgerkostuum.

Land van Axel

Rond Axel is de boerendracht het meest gangbaar. De hoge schouderpartijen van de vrouwen springen het meest in het oog. Deze zijn ontstaan doordat vrouwen hun doek in de loop van de tijd steeds hoger zijn gaan opspelden. Met behulp van een stevige doek of papier wordt de Axelse doek in model gehouden. Verder dragen vrouwen de traditionele combinatie van mouwlief (hemdrok), beuk, rokken en schort.

 









Vrouw in Axels kostuum op Veersedam (J.Th.P. Timmerman)
Vrouwen uit het Land van Axel in hun zondagse kostuum, 1951 (ZB/Beeldbank Zeeland)
Vrouwen uit het Land van Axel in hun zondagse kostuum, 1951 (ZB/Beeldbank Zeeland)
Het mannenkostuum bestaat, net als op Walcheren en Zuid-Beveland, uit een klepbroek, boezeroen, vest en rok. Rond Axel komt ook een burgerdracht voor. Burgervrouwen dragen een eigen kostuum met eenzelfde type lange muts als op de noordelijke eilanden.
Hierboven: vrouw in Axels kostuum op de Veersedam tijdens de opening in 1961 (foto: J.Th.P. Timmerman)
Meester P. Lefeber en zijn leerlingen van de Christelijke Landbouwschool in Axel, circa 1900 (ZB/Beeldbank Zeeland)
Meester P. Lefeber en zijn leerlingen van de Christelijke Landbouwschool in Axel, circa 1900 (ZB/Beeldbank Zeeland)









Land van Hulst

In het oosten van Zeeuws-Vlaanderen ontwikkelt zich een eigen streekdracht met als meest typerende kenmerk de zogenaamde Vlaamse muts voor de vrouwen. De voorrand van de muts eindigt in twee slippen die tot op de schouders reiken. Daarbij dragen vrouwen een hooggesloten japon. Midden 19e eeuw is de specifieke Hulster mannendracht al verloren gegaan.
Vrouwen in de dracht van het Land van Hulst, februari 1919. De foto is gemaakt ter gelegenheid van een anti-annexatiebetoging, mogelijk dus de enige reden voor het dragen van dit kostuum (ZA-verzameling J.N. Pattist).
Vrouwen in de dracht van het Land van Hulst, februari 1919. De foto is gemaakt ter gelegenheid van een anti-annexatiebetoging, mogelijk dus de enige reden voor het dragen van dit kostuum (ZA-verzameling J.N. Pattist).
Vrouwen uit Land van Hulst, 1894 (Zeeuws Museum)
Vrouwen uit het Land van Hulst, 1894. Ingekleurde foto (Zeeuws Museum-collectie KZGW)

Sieraden en accessoires

Sieraden zijn belangrijk in de kostuums. Sommige sieraden hebben een praktische functie. Het zilveren oorijzer, dat vrouwen in hun ondermuts spelden, dient om de muts op het hoofd te klemmen. Knopen, spelden en gespen dienen om kledingstukken te sluiten. Opvallend zijn bijvoorbeeld de zilveren broek- en klepstukken waarmee mannen hun broekband en -klep sluiten.
Kist, gevuld met sieraden, van juwelier Lou Minderhoud (1877-1970), circa 1900. Met deze kist op de kruiwagen en later op de fiets bezoekt juwelier Minderhoud de dorpen en boerderijen op Walcheren (Juwelier Minderhoud; foto: Ivo Wennekes).
Kist, gevuld met sieraden, van juwelier Lou Minderhoud (1877-1970), circa 1900. Met deze kist op de kruiwagen en later op de fiets bezoekt juwelier Minderhoud de dorpen en boerderijen op Walcheren (Juwelier Minderhoud; foto: Ivo Wennekes).
Andere sieraden dienen uitsluitend ter verfraaiing. Vrouwen hangen soms gouden mutsenbellen aan de stukjes die zich aan de voorzijde van het oorijzer bevinden. Ook steken ze gouden spelden in de zijkanten van hun muts. Vrouwen dragen altijd een of meerdere halssnoeren van bloedkoralen, gitten of zwarte kralen. Onder (later boven) de schort gaan een beugeltas en tot ver in de 19e eeuw een zilveren gerei met naaldenkoker, schaar en puntschede (bestekkoker).

Knoopjes, gespen, paeremes...

In de 19e eeuw sluiten mannen het hemdrok met een lange rij zilveren knoopjes (rêêste). Ook dragen veel mannen een gouden oorring. Zowel mannen als vrouwen hebben in de 19e eeuw zilveren gespen op hun schoenen. Vrouwen die het kunnen betalen, dragen aan het begin van de 19e eeuw nog een gouden voorhoofdsnaald. Dat is een halfronde, smalle plaat, die in de muts wordt gespeld en waarvan het versierde gedeelte voor het voorhoofd komt. Een typerende accessoire in de mannendracht op Walcheren en Zuid-Beveland is het boerenzakmes. Het wordt ook wel 'paeremes' genoemd. Het houten heft ervan is fraai versierd met houtsnijwerk (zie rechts en hieronder).

 



































Boerenzakmessen (collectie Dingemanse)
Boerenzakmessen in het atelier van beeldend kunstenaar Frans Dingemanse in Nieuw- en St. Joosland (collectie Dingemanse)
Boerenzakmessen in het atelier van beeldend kunstenaar Frans Dingemanse in Nieuw- en St. Joosland (collectie Dingemanse)
Hierboven: de heften van twee boerenzakmessen ofwel 'paeremessen' van wie de makers bekend zijn. Het linkse heft is gemaakt door Pieter Puype, het rechtse door Andries Vlieger en gedateerd 1886 (collectie Dingemanse).

Varianten

Elke dracht heeft meerdere varianten van de kostuums. Er is werkkleding, opknapkleding en zondagse kleding. Als er gewerkt moet worden, dragen mensen kleren van goedkope maar sterke stof. Of zij dragen versleten kledingstukken verder af. Sieraden worden tijdens het werk tot een minimum beperkt.
Groep vriendinnen tijdens de viering van de vijftiende verjaardag van één van hen, Koudekerke (Walcheren) 1922 (W. van der Heijden)
Groep vriendinnen tijdens de viering van de vijftiende verjaardag van één van hen, Koudekerke (Walcheren) 1922 (W. van der Heijden)
Rijkere vrouwen hebben opknapkleding of achter(na)middaggoed. Dat is nette kleding die ’s middags wordt aangetrokken, als het werk voor die dag is gedaan. De mooiste kleding en sieraden worden bewaard voor de kerkgang op zondag. Deze kleding is bedoeld om mee te pronken.
Gezin uit Meliskerke (Walcheren) met de kinderen in streekdracht. De vrouw des huizes is in de rouw, de man gaat gekleed in burgerkleding. Foto uit 1916 (Beeldbank Zeeland)
Gezin uit Meliskerke (Walcheren) met de kinderen in streekdracht. De vrouw des huizes is in de rouw, de man gaat gekleed in burgerkleding. Foto uit 1916 (Beeldbank Zeeland)

Kinderdracht

Kinderen gaan vanaf hun vierde of vijfde jaar dezelfde soort kleding als volwassenen dragen. Alleen de mutsen van de meisjes zijn aangepast. Het moment waarop de meisjes de volwassen muts met aanverwante sieraden mogen gaan dragen, markeert de overgang van kindertijd naar volwassenheid. In de meeste drachten ligt dat moment rond het twaalfde of veertiende levensjaar. Op de noordelijke eilanden zijn de meisjes dan ongeveer achttien jaar.
Katholiek gezin uit Zuid-Beveland, 1910 (ZB/Beeldbank Zeeland)
Katholiek gezin uit Zuid-Beveland, 1910 (ZB/Beeldbank Zeeland)


Creative Commons Licentie