Cirkels krassen
Bij de aanleg van een ringwalburg koos men liefst voor een van nature verhoogd terrein zoals een kreekrug of oeverwal. Het vermoeden bestaat dat men bij het aanleggen van een dergelijke burg als volgt te werk ging:
- midden in het terrein werd een paal in de grond geplaatst waaraan een lang stuk touw werd vastgebonden
- met een aan het touw bevestigde stok werden vervolgens concentrische cirkels met een gemiddelde diameter van circa tweehonderdvijftig meter in de grond gekrast. Dit werd het grondplan van de toekomstige ringwalburg
- er werd een gracht gegraven. De vrijgekomen grond gebruikt werd om een wal van zo'n drie meter hoog op te werpen. De buitenzijden werden bekleed met graszoden
- op de kruin of aan de voet van de vestingwal werd een houten palissade aangebracht
- tenslotte werd het binnenterrein enigszins opgehoogd met zand.
Wegen en poorten
Door elkaar kruisende wegen werd het binnenterrein in vier kwarten verdeeld. Aan het eind van deze wegen werden in de wal houten poorten geplaatst die met deuren konden worden afgesloten. Bij de poorten lagen bruggen over de ringgracht. De wegen bestonden uit stukken boomstam die half in de aarde achter elkaar lagen.

In 1939 vond onder leiding van archeoloog W.C. Braat van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden een eerste opgraving plaats naar de burg in Oost-Souburg. In het burgterrein werden verschillende sleuven gegraven. (ZDC)
Meer foto's van de opgraving van de
ringwalburg van Oost-Souburg in onze collecties