Dikke wanden
De eerste bunkers die de Duitsers in 1942 bouwden hadden een wanddikte van 2,5 meter gewapend beton. Omdat de bommen van de Geallieerden steeds krachtiger werden, besloot men de wanddikte op te voeren naar 3,5 meter gewapend beton. Dit had als negatief gevolg dat de bunkers als mastodonten in het landschap vanaf grote hoogte al te zien waren. Ze vormden zo een gemakkelijk doelwit om te bombarderen.
In 1944 kwamen de Duitsers daarom met een nieuw type bunker waarbij het dak werd uitgevoerd in pantserstaal. De bunker bij Rammekens is hier een voorbeeld van. Het is een artilleriebunker ter verdediging van de anti-tankmuur bij een aanval in de rug.
Bunkerbouw
Voordat met de bouw van een bunker begonnen kon worden, werd een bodemonderzoek uitgevoerd. Bij een drassige ondergrond moest een paalfundatie worden geheid. Vervolgens werd een bodemplaat gestort, waarna de bekisting van het interieur werd aangebracht. Daarna konden de vlechters aan het werk om betonwapening, pantserdeuren, buizenstelsels en dergelijke te plaatsen. Pas daarna werd de buitenzijde van een zware houten bekisting voorzien waaromheen een steiger opgetrokken werd. Op de steiger werden betonmolens geplaatst; het storten van het beton kon beginnen. Dit ging dag en nacht door. Wanneer de bekisting volgestort was, moest het beton drogen. De bouwtijd duurde in totaal circa 14 tot 19 weken.
Camouflage
De bunkers werden aan het oog van de vijand onttrokken door ze zo goed mogelijk te camoufleren. Hiervoor gebruikte men verschillende middelen, waaronder:
- bedekken met grond
- bekleden met camouflagenetten
- beschilderen als woonhuis (zie foto rechts).