Vele tientallen vloeden teisteren Zeeland in de loop der eeuwen. De meest recente is de watersnoodramp van 1953, met ongeveer 1835 slachtoffers. Daarvóór zijn er nog ergere watersnoden, zoals 'Sint Felix quade saterdach' op 5 november 1530. Tussen het jaar 1134 en de vloed van 1530 zijn er meer dan 45 ernstige overstromingsrampen.
Landaanwinning (inpoldering) en landverlies zijn zaken die elkaar sterk beïnvloeden. De grote toename van ingedijkt land in de 12e eeuw en later zorgt ervoor dat het water minder ruimte krijgt, minder 'komberging'. Het in de nauwe zeegaten opgestuwde water zoekt een uitweg. Resultaat: dijkdoorbraken en overstroming, verlies van 'have en goed' en mensenlevens.
Elke ramp inspireert ook tot herwinning van het verdronken gebied, tot nieuwe bedijkingen. Daarom liggen veel verdronken Zeeuwse dorpen nu middenin de polder.

Gebroken dijk van Nieuw-Neuzenpolder bij Terneuzen, West Zeeuws-Vlaanderen, februari 1953 (Beeldbank Zeeland, foto: B. Hofmeester). Zie ook ons
thema Watersnoodramp 1953
Prent van J. Luyken, 1702, ter illustratie van vloeden in 1682 en 1686 (Beeldbank SCEZ)
'Frisia' ondergelopen
De eerste berichten van grote vloeden stammen uit de tijd vóór de bedijkingen. Deze komen in Zeeland op gang in de 11e en 12e eeuw. In december 838 meldt een Franse bisschop dat bij een grote stormvloed bijna heel Frisia (het Nederlandse kustgebied) is ondergelopen.
Drie volgende belangrijke vloeden vinden plaats in 1014, 1042 en 1134. De vloed van september 1014 is een
magna inundatio maris, een 'grote overstroming door de zee'. Deze teistert vooral Vlaanderen en Walcheren en zou duizenden slachtoffers geëist hebben.
De vloed van oktober 1134 geeft aanleiding tot grote bedijkingsactiviteiten. In deze 12e eeuw, en vooral door deze vloed, verdwijnt het hele veengebied tussen Maas en Schelde. Alleen de met klei overdekte eilanden blijven over.
Links:
Prent van J. Luyken, in 1702 gebruikt ter illustratie van de vloeden van 1682 in zuidwestelijk Nederland en 1686 in Groningen.
Het kind in de wieg rechts op de voorgrond verwijst naar een eeuwenoud verhaal over een wonderbaarlijke redding. Dit verhaal is al bekend sinds de Tweede Sint-Elisabethsvloed (1421). Het kind spoelde aan bij Kinderdijk (Zuid-Holland), aldus het verhaal, dat toen naar deze gebeurtenis zou zijn genoemd.
Vloeden op rij
In de 14e en 15e eeuw is er naast grote bedijkingsactiviteit aanzienlijk landverlies. Tussen 1214 en 1530 zijn er meer dan 45 zware stormvloeden!
Het jaar 1375 vormt een dieptepunt, met gigantische schade in Vlaanderen en zijn noordelijke kuststreek, het huidige Zeeuws-Vlaanderen. Ook is er ravage op Walcheren en bij Rilland in oostelijk Zuid-Beveland. Als gevolg van deze stormvloed ontstaat de Zuudzee, later Dullart of Braakman geheten. Het eiland Schoneveld in de monding van de Westerschelde verdrinkt en de Honte of Westerschelde verbreedt zich aanzienlijk. Hierdoor wordt deze zeearm in plaats van Oosterschelde de belangrijkste vaarweg naar Antwerpen.
Een rijtje jaartallen toont de bijna constante ellende: in 1214, 1248 (twee vloeden), 1262, 1268, 1287/1288, 1318, 1330, 1334, 1341, 1344, 1357, 1374, 1375, 1394, 1398, 1403, 1404, 1409, 1417/1418, 1421, 1424, 1436, 1446, 1449, 1460, 1463, 1467, 1468, 1472, 1475, 1477, 1480, 1483, 1488, 1491, 1493, 1497, 1502, 1509, 1511, 1514, 1516 (twee opeenvolgende vloeden), 1517, 1521.
De huidige Braakman (foto: Heleen M.D. Dekker)
 
De Braakman wordt door een nieuwe ramp op 19 november 1404 nog eens aanzienlijk vergroot. Deze vloed is bekend als de Eerste Sint-Elisabethsvloed. De Tweede Sint-Elisabethsvloed volgt in november 1421. Deze ramp is vooral berucht door de ondergang van de Grote Waard (Zuid-Holland/Noord-Brabant), waar de Biesbosch ontstaat.
De huidige Braakman.
Weinig herinnert nog aan de rauwe ontstaansgeschiedenis (foto: Heleen M.D. Dekker)
Heiligen
De Eerste Cosmas en Damianusvloed, op 27 september 1477, is de grootste vloed sinds de Eerste Sint-Elisabethsvloed in 1404 en wordt evenals deze naar heiligen genoemd. Cosmas en Damianus zijn martelaren uit de 3e eeuw na Christus. In het katholicisme worden ze de patroons van artsen, chirurgijns en apothekers.
Naamdag
Een vloed wordt in de middeleeuwen naar een specifieke heilige genoemd wanneer deze samenvalt met diens naamdag. Dit geldt ook voor het feest van Cosmas en Damianus op 27 september.
De Tweede Cosmas en Damianusvloed veroorzaakt in 1509 een reeks dijkbreuken in Zeeuws-Vlaanderen; de polder van Hontenisse in Oost Zeeuws-Vlaanderen gaat voorgoed verloren. Ook Zeeuwse eilanden worden getroffen. Stavenisse op Tholen verdrinkt.
Schepen op de dijk
Tussen alle grotere vloeden vinden nog allerlei doorbraken plaats die de grote kronieken niet eens halen. In Noord-Beveland wordt in 1352 een schip op de dijk bij Vliete (in de huidige Vlietepolder) geworpen. Inundatie is het gevolg.
Zeshonderd jaar later beleeft Colijnsplaat een omgekeerd fenomeen: bij de Februariramp van 1953 wordt het dorp juist voor grote rampspoed behoed omdat een schip door het water dwars voor de haventoegang wordt geparkeerd en zo dienst doet als reddende waterkering.

Moderne afbeelding van Cosmas en Damianus, naamgevers van zware vloeden in 1477 en 1509
Grootste ramp: Sint Felix quade saterdach
Herdenking St.-Felixvloed, artikel PZC 6 juli 2001
Een bijna fatale vloed treft Zeeland op 5 november 1530: 'Sint Felix quade saterdach'. Deze vloed wordt meestal in samenhang beschouwd met die van 2 november 1532. Deze laatste haalt een streep door het herstelwerk na de eerste ramp.
Door deze twee vloeden blijft Noord-Beveland 'drijvend'
tot 1598, Sint Philipsland tot 1645, het land van Borsele tot 1616. De Brede Watering Beoosten Yerseke gaat voor een groot deel permanent verloren (het huidige Verdronken Land van Zuid-Beveland). Ook in Zeeuws-Vlaanderen en alle andere Zeeuwse eilanden zijn inbraken.
De St.-Felixvloed leeft nog altijd in de herinnering. Aankondiging van Toen Noord-Beveland verzonk, openluchtspektakel ter herdenking van de St.-Felixvloed. Opvoering vindt plaats op het Kamperlandse strand De Banjaard, vier dagen in juli 2001.
Artikel uit de PZC van 6 juli 2001
Veranderd kaartbeeld
Kaart oostelijk Zuid-Beveland toen en nu
De vloeden van 1530/32 wijzigen de geografie van Zeeland dramatisch. De omtrek van oostelijk Zuid-Beveland verandert voorgoed. De kroniek van Reigersberg (1551) meldt dat er op Zuid-Beveland in 1530 meer dorpen verdrinken dan bij welke eerdere stormvloed ook.
Links:
De kaart van oostelijk Zuid-Beveland toen en nu (naar C. Dekker, 1971).
In blauw het voormalige land (en omtrek), nu het Verdronken Land van Zuid-Beveland. In grijze kleur de huidige grenzen van land en stroomgeulen.
Reimerswaal - verloren stad
In het verdronken oosten van Zuid-Beveland weet de stad Reimerswaal na 1530/32 haar bestaan nog een eeuw te rekken. Eens was zij de derde stad van Zeeland, met op haar hoogtepunt naar verluidt zo’n 6.000 inwoners. Reimerswaal was ook het streekcentrum van oostelijk Zuid-Beveland, een gebied met voornamelijk bescheiden dorpen.
De laatste eeuw van Reimerswaal is een lijdensweg van overstromingen en stadsbranden. Een storm treft de stad in 1557. Stadsmuren en poorten bezwijken, stadhuis, kerken, huizen en zoutketen
storten in.
Gezicht op Reimerswaal uit de kroniek van Smallegange, 1696
Tegenslagen
In 1573, tijdens de Opstand tegen Spanje (Tachtigjarige Oorlog), trekken Zeeuwse troepen Reimerswaal binnen om de Spaanse bezetting te verjagen. Ze steken de stad in brand.
Na alle tegenslagen breken de resterende inwoners af wat nog overeind staat. Ze verkopen van alles: zink van de daken, bakstenen van de kerk, een vleugel van het stadhuis, een stadspoort, woonhuizen.
Spanjaarden
In 1631 worden plots enkele duizenden Spanjaarden in de stad gehuisvest. Ze zijn gevangen genomen na de Slag op het Slaak. Nu besluiten de laatste Reimerswalers, merendeels arme mosselvissers, hun stad te verlaten. De meesten trekken naar het nabije Tholen. Ze blijven nog tot in de tweede helft van de 18e eeuw een aparte groep, met onderlinge huwelijken.
Links:
Gezicht op Reimerswaal uit Nieuwe cronyk van Zeeland, van M. Smallegange, 1696 (KZGW/ZI)
De rampen gaan door
Ook na 1530/32 gaat het regelmatig mis. Op 1 november 1570 vindt de Allerheiligenvloed plaats. Deze treft heel Zeeland. De eilanden Wulpen en Koezand in de monding van de Westerschelde verdwijnen voorgoed. Bij een volgende grote ramp, op 26 januari 1682, overstromen in heel Zeeland 161 polders.
De vloed van 1682 is de eerste waarover veel details bekend zijn. De arts F. Gruiwardt schrijft een pamflet over 'den ellendigen toestand van onse amechtige provintie'.
Een anonieme schrijver meldt dat de 'wilde oceaan' in heel Zeeland onnoemelijke schade heeft aangericht. In Vlissingen zijn er 'zulke gaten in de muren, in de straten, ja zelfs in de kaaien, dat men dat nauwelijks schrijven kan'. Het water staat tot aan de luifels, alle kerken zijn onbruikbaar en 'de graven neergestort'. Zelfs de doden zijn 'uit de graven gewekt en weggedreven op de kerkhoven'.
Valkenisse
Voor oostelijk Zuid-Beveland is de vloed van 1682 rampzalig. Valkenisse, ten zuidoosten van Waarde, gaat definitief verloren. De secretaris van Waarde schildert als ooggetuige de gebeurtenissen met breed palet: 'daar was dien ganschen nacht sulcken drovigen geschreuw, gehuil, gekrijt, ende gecrijsch van menschen en beesten als met geen penne kan uijt gedruckt worden'.

Mensenschedel op plek waar Valkenisse heeft gelegen. Ruim drie eeuwen na de ondergang van het dorp wordt deze aangetroffen, augustus 1993 (Beeldbank SCEZ)
Impressie van de voormalige kerk van verdronken Valkenisse (van B. Oele)
Links:
Impressie van de voormalige kerk van het verdronken Valkenisse (tekening: B. Oele)
Toren
De kerktoren van Valkenisse dient na de ramp als baken voor de scheepvaart op de Westerschelde, tot hij in 1750 instort. Zo’n desolate toren is een min of meer vertrouwd beeld vanaf de Zeeuwse wateren. Enkele torens van verdronken plaatsen houden stand tot de dag van vandaag:
- die van Kortgene op Noord-Beveland, al eeuwen voorzien van een nieuwe kerk, en
- de Plompe Toren van het verdronken Koudekerke op Schouwen.
Jongere vloeden
Grote watersnoden tussen 1682 en 1953 zijn de vloeden van 14/15 januari 1808 en 12 maart 1906. Maar in deze periode ontstaan geen permanente 'verdronken landen' meer.
De ramp van 1808 leidt tot een algemene dijkverhoging. Deze wordt gerealiseerd dankzij de nieuwe mogelijkheden van het gecentraliseerde, op Franse leest geschoeide bestuur.
Zie ook de pagina
Plompe Toren van het thema
Beschermend Zeeland

'Vloedmerk' van de watersnoodramp, februari 1953 in Fort Ellewoutsdijk (Beeldbank SCEZ, foto: J.J.B. Kuipers)
De Palingstraat in Vlissingen, 15 januari 1808, naar een tekening van J.H. Koekoek (1808)
Links:
'Gezigt van de Palingstraat te Vlissingen op den morgen van den 15 Januarij 1808.' Laatste uit een serie van vier kopergravures naar een tekening van J.H. Koekoek. Uit: S. van Hoek, Beschrijving van den watervloed tusschen 14 en 15 van Louwmaand 1808 (Haarlem 1808).
© Geschiedeniszeeland 2012