De visserij in Zeeland gaat terug tot de tijd dat de eerste mensen deze regio bezoeken. Uit archeologische vondsten blijkt dat jagers en verzamelaars enkele duizenden jaren voor Christus ook al vissen op het menu hebben. Wanneer de mens zich permanent vestigt en landbouw gaat bedrijven, blijft de vangst van vissen en schelpdieren deel uitmaken van zijn levenswijze. Met de tijd groeit de kennis en ervaring om met kleine vaartuigen ook op grote binnenwateren en onder de kust te gaan vissen.
Bewijzen voor een meer gerichte en georganiseerde visserij zijn er vanaf de 14e eeuw. De haringvisserij groeit in vrij korte tijd uit tot een goedlopende en welvarende bedrijfstak.
Dankzij de uitvinding van het haringkaken en de ontwikkeling van een nieuw scheepstype ontstaat de mogelijkheid tot visvangst verder van huis. Na 1550 zorgen politieke conflicten en oorlogen voor een snelle terugval naar voornamelijk kustvisserij. Naast kabeljauw worden voortaan vooral platvissen gevangen, hoewel ook mosselen en oesters op het menu verschijnen.
Met name in 17e en 18e eeuw nemen Zeeuwen actief deel aan de walvisvangst. Hoewel dit natuurlijk geen vissen betreft, is het wel degelijk een sector waarbij visserij wordt beoefend. Vanaf eind 19e eeuw is sprake van verdere organisatie en specialisatie van de Zeeuwse visserij. Naast kustvisserij op plat- en rondvis is er mossel- en oesterteelt en garnalenvisserij, aangevuld met de vangst van kokkels, kreeften en krabben. De visserij groeit uit tot een moderne sector die het eind 20e eeuw opnieuw zwaar te verduren krijgt. Deltawerken en milieubelangen zorgen dan voor bedreigingen maar ook nieuwe uitdagingen voor de Zeeuwse visserijsector.