Visserschepen op de Noordzee. Uitsnede van de kaart van Zeeland van Jacob van Deventer, omstreeks 1544 (ZA/KZGW/ZI)
Volksvoedsel
De vraag naar vis neemt steeds meer toe en vooral haring wordt een echt volksvoedsel. Nog tot 1300 komt deze vis niet uit de Noordzee, maar wordt hij aangevoerd vanuit het Oostzeegebied. Pas daarna komt er voldoende haring voor in de Noordzee zodat de vangst ervan rendabel wordt. Het aantal actieve vissersschepen groeit vanaf dat moment gestaag.
De visserij in deze tijd vindt overwegend plaats net voor de kust en op de talrijke inhammen en zeearmen. Van september tot begin november, in de haringtijd, begeven de Vlaamse en Zeeuwse vissers zich ook op open zee. Ze vissen dan veelal ter hoogte van Great Yarmouth onder de Engelse kust en meer naar het noorden bij de Doggersbank.
Specialisatie
Het eerste schriftelijke bewijs voor deze meer georganiseerde visserij stamt uit de 14e eeuw. Het betreft een document waaruit blijkt dat in 1326 de Engelse koningin Isabella en zoon Edward (de latere Edward III) in Zeeland visserschepen huren. Ze huren deze schepen, 8 hulken
en 132 haringschepen, niet om te vissen maar om ze met een leger over te brengen naar Engeland.
Dit wijst dus direct op het bestaan in die tijd van gespecialiseerde haringschepen. Tevens zijn deze met name uit Zierikzee maar ook andere Zeeuwse plaatsen afkomstige schepen dus zeewaardig. En ze zijn groot genoeg om groepen mensen voor een overtocht te kunnen herbergen.