Handel, industrie en middenstand

Een eigen zaak

Een winkel biedt de gelegenheid te werken zonder uit huis te gaan. Dit is vooral gunstig voor oudere vrouwen en vrouwen met kinderen. Ze kunnen huishoudelijk werk met een winkel combineren. Die winkeltjes, vaak in een voorkamer met een deel van de hal erbij getrokken, zijn kleine supermarktjes of kruidenierswinkeltjes. Je kan er van alles kopen, van drop tot zeep en van schuurpapier tot spelden. Van alle artikelen zijn slechts een paar exemplaren aanwezig.
Veel vrouwen verkopen ook de producten van hun echtgenoten: groenten van het land of vis. Ook wordt deze handelswaar huis aan huis gesleten, of bijvoorbeeld op de markt in Goes of Middelburg. Veel uitgeoefende beroepen in deze handelstak zijn rond 1900 de verkoop van kleding, voedings- en genotmiddelen, het venten van melk en het houden van een café of herberg.
Melkverkoopster gaat met de melk in bussen de huizen langs in Westkapelle. Foto van omstreeks 1961 (ZB, Beeldbank Zeeland)
Melkverkoopster gaat met de melk in bussen de huizen langs in Westkapelle. Foto van omstreeks 1961 (ZB, Beeldbank Zeeland)

Snoep en textiel

Het aantal vrouwen dat in de industrie werkzaam is, blijft beperkt. In 1899 zijn dit er 1.498. In 1947 zijn het er 2.300; slechts 800 meer. Een van de eerste industrieën waar vrouwen werkzaam zijn, is de Van Melle Confectionery Works in Breskens. De vrouwen werken hier op de inpakafdeling. Deze en andere snoepfabrieken besteden ook werk uit aan thuiswerkers die het snoepgoed van wikkels voorzien.
In de was- en strijkinrichtingen in de steden zijn circa 200 vrouwen werkzaam, vooral ongehuwde vrouwen. In 1899 zijn er in heel Zeeland ruim 600 zelfstandige naaisters en kleermaaksters. Vooral in Zeeuws-Vlaanderen wordt veel kant gemaakt voor de Belgische industrie. Het vervaardigen van confectiekleding komt na 1900 sterk op. In Hulst wordt in 1910 bijvoorbeeld de textielfabriek Emile Lockefeer opgericht.

Medewerkster productie snoep fabriek Van Melle, Breskens. Foto A. van Wyngen, ca 1972 (Beeldbank Zeeland)

Erwten verlezen

Een Middelburgs gezin is bezig met het zogenaamde 'erwten verlezen', het uitsorteren van goede en slechte erwten waarmee in de avonduren wordt bijverdiend. Afbeelding uit: D. Bimmel en C.J. Riemens 'Arm Middelburg. Hoe het woont! Hoe het leeft!' Middelburg: Middelburgsche Bestuurdersbond, 1904)
Een Middelburgs gezin is bezig met het zogenaamde 'erwten verlezen', het uitsorteren van goede en slechte erwten waarmee in de avonduren wordt bijverdiend. Afbeelding uit: D. Bimmel en C.J. Riemens 'Arm Middelburg. Hoe het woont! Hoe het leeft!' Middelburg: Middelburgsche Bestuurdersbond, 1904)
De meest wijdverbreide vorm van thuiswerk in Zeeland is het zogenaamde verlezen van erwten. Bij het sorteren worden de slechte erwten verwijderd. Graanhandelaren kopen de erwten op bij de boeren en slaan de voorraad op in pakhuizen. Rond 1910 zijn hier ruim 900 gezinnen bij betrokken.
Het werk wordt veelal door gehuwde vrouwen gedaan om zo wat bij te verdienen. Dat thuiswerk verslechtert echter juist hun positie.
Wordt dit werk in pakhuizen gedaan dan krijgt men een vast dagloon. Voor thuiswerk wordt stukloon uitbetaald, dat steeds lager wordt. Wordt in 1890 in Goes nog fl. 1,75 voor een hectoliter gegeven, twintig jaar later is dat nog maar 85 cent of minder. Bovendien hebben de thuiswerkers er zelf de kosten van behuizing, verlichting en verwarming bij.
Hierboven: een medewerkster bezig met de productie van snoepgoed in de fabriek van Van Melle in Breskens. Foto van A. van Wyngen, circa 1972 (ZB, Beeldbank Zeeland)

Arbeid voor vrouwen uit burgerij

Voor arbeidersvrouwen is het noodzaak om te werken. Vrouwen uit de burgerij beschouwen het als een schande te moeten werken voor geld. Alleen een baan als gouvernante (privé-onderwijzeres) kan de goedkeuring van de ethische moraal verdragen. Voor vrouwen uit de lagere regionen van de burgerij zijn er andere beroepen. Dit zijn: secretaresse, verkoopster, typiste, apothekersassistente en verpleegster, allemaal beroepen met een dienstverlenend karakter. De werkzaamheden in deze ‘nette’ werkomgeving doen een beroep op de zogenaamde vrouwelijke eigenschappen. Dat zijn zorgzaamheid, nauwgezetheid, ordelijkheid en dienstbaarheid.
Apothekersassistentes in de apotheek van Van de Sande in Vlissingen. Foto van A. van Wyngen, omstreeks 1964 (ZB, Beeldbank Zeeland)
Apothekersassistentes in de apotheek van Van de Sande in Vlissingen. Foto van A. van Wyngen, omstreeks 1964 (ZB, Beeldbank Zeeland)

Arbeidsrechten

Vrouwen, die goedkoper werk verrichten dan mannen krijgen altijd minder betaald: dus zijn ze aantrekkelijk voor werkgevers. Aanvankelijk zijn het vooral vrouwen uit de burgerij die in de warenhuizen - een nieuw verschijnsel rond de jaren twintig van de 20e eeuw - werken. Werkneemsters zijn verplicht nette kleding te dragen en die hebben vrouwen uit de arbeidersklasse niet.
Naarmate er meer warenhuizen bij komen, zakt het beroep in achting en gaan er ook meer vrouwen uit de lagere sociale klassen werken. De arbeidsomstandigheden zijn slecht: er is amper sprake van een pauze en de dames mogen niet zitten zolang er een klant in de winkel is. Dankzij Aletta Jacobs, de eerste vrouwelijke arts in Nederland, heeft iedere verkoopster ook nu nog het recht om te zitten.



Zie ook het venster van de nationale canon over Aletta Jacobs
Dames uit de gefortuneerde burgerij komen Belgische vluchtelingen in Middelburg helpen door brood te snijden. Foto uit 1915 (ZB, Beeldbank Zeeland)
Dames uit de gefortuneerde burgerij komen Belgische vluchtelingen in Middelburg helpen door brood te snijden. Foto uit 1915 (ZB, Beeldbank Zeeland)


Creative Commons Licentie