In het midden van de 19e eeuw wordt bijna de helft van het werk op het land door vrouwen gedaan. De Zeeuwse economie is in die eeuw in hoge mate afhankelijk van de landbouw. Nog in 1899 is bijna de helft van de Zeeuwse beroepsbevolking er werkzaam en in 1930 nog steeds 40%. Ook moet niet vergeten worden dat veel vrouwen al werken in de moestuin, pluimvee verzorgen of zorgen voor het vee. Schapen, varkens en koeien verzorgen, melken en boter bereiden is werk dat niet in loondienst wordt gedaan.
Werkzaamheden die vrouwen op het platteland uitvoeren zijn onder andere: aardappels en bonen poten, wieden, vlas trekken en eventueel repelen en roten
, koolzaad dorsen, graan snijden en binden, bonen trekken, aardappelen en suikerbieten rooien.
Fruitpluk
Over het algemeen worden vrouwen vaak ingezet voor seizoensarbeid, wanneer er veel arbeidskracht nodig is om in korte tijd veel werk te verzetten, zoals bij het oogsten. In Zuid-Beveland betekent dat bijvoorbeeld inzet bij de fruitpluk. Als een man werk krijgt bij een boer wordt vaak bedongen dat de vrouw en de kinderen, indien nodig, ook komen helpen. Daarbij komt nog dat een sterke vrouw veel voordeliger arbeid kan verrichten voor een baas dan een man. Dat komt omdat vrouwen in de regel maar de helft of iets meer van het loon van een man ontvangen.
Een boerenvrouw houdt de leidsels van de paarden vast terwijl de boer het hooi optast. Tekening door J. van Hoboken, 1941 (ZB, Beeldbank Zeeland)
Vrouwen sorteren fruit op des sorteerlijn voor transport naar de veiling in Goes. Foto uit 1962 (ZB, Beeldbank Zeeland)
Daglonen in de landbouw op Tholen, circa 1900
Als meid bij de boer werken
Na de lagere school
gaan de meeste meisjes als meid bij een boer werken. Meestal zoekt de vader contact met een boer uit de omgeving. Het dienstverband duurt van mei tot oktober en van oktober tot mei. Het loon wordt pas na afloop van die periode uitbetaald.
Bij een boer dienen betekent dag en nacht beschikbaar zijn om karweitjes te klaren. Op Walcheren, waar in vergelijking met andere regio’s meer veeteelt is, werken in verhouding veel dienstbodes op de hofsteden. Tot het werk behoort het melken, de huishouding, het karnen, de verzorging van de kalveren en het schuren van het melkgerei. Boter en brood maken doet de boerin doorgaans zelf.
Boerenfamilie met knechten en meiden in West-Zeeuws-Vlaanderen. Foto van omstreeks 1935 (ZB, Beeldbank Zeeland)
Boerengezin en burgergezin
Het loon is laag, het werk zwaar en de arbeidsduur erg lang. Soms tot zestien uur per dag. Veel meisjes gaan dan ook liever naar de stad om in een burgergezin te dienen. Dat betekent beter loon, minder lange werktijden, lichter werk en ’s winters minder kou. Voordeel van bij de boer werken is wel dat de dienstbode als onderdeel van het gezin wordt beschouwd en aan tafel zit. Dat is in de stad niet het geval. Daar spreken de dienstbodes niet met het gezin en moeten ze in de keuken eten. Het loon van een boerendienstbode bedraagt, afhankelijk van leeftijd, rond 1900 ongeveer veertig tot honderd gulden per jaar.